In afwachting dat ik volgende week besluit om verder te bloggen in het Nederlands of het Engels kunnen we alvast genieten van dit prachtig stukje geschreven door  Stefaan Sonck in ‘Over taal’ jaargang 51, nr. 4 september-oktober 2012 blz. 93.

Als Brusselaar word ik dagelijks geconfronteerd met de taaleigenheden van het Nederlands en het Frans. Ik kwam tot enkele merkwaardige en soms leuke vaststellingen. Hebben onze taalverschillen te maken met het rationele van de Vlamingen en Nederlanders, en het emotionele van de Franstaligen? Ik weet het niet. Feit is dat wij iets uit het hoofd leren, terwijl Franstaligen l’apprennent par coeur.

In het Nederlands kennen we mannelijk, vrouwelijk én onzijdig. Onzijdig bestaat niet in het Frans. Het meisje, leg dat maar eens uit aan Franstaligen. Hoe oud bent u? Nederlandstaligen zijn 25 jaar, Franstaligen ont 25 ans. Franstaligen maken van oud brood pain perdu, maar Vlamingen spreken van gewonnen brood. Dat is een kwestie van perceptie, maar vooral van goed klaarmaken. Wij drinken er een koffie verkeerd bij, Franstaligen spreken van un lait russe.

Wij stellen een huis te koop, in het Frans niet: daar zetten ze het à vendreHuren en verhuren zijn voor ons twee verschillende begrippen, maar in het Frans spreekt men van louer, zowel voor de eigenaar als voor de bewoner.

Wie een beetje in het ootje wordt genomen, gaat groen lachen. Franstaligen zien het anders: rire jaune. Een onervaren iemand is een groentje, voor de Franstaligen echter un bleu. Een blauw oog daarentegen is un oeil au beurre noir! Bij zoveel kleurnuances is het geen wonder dat Van Gogh eropuit trok met een schildersezel, terwijl Gaugain gebruikmaakte van un chevalet de peintre.

Van dieren gesproken: er is iets merkwaardigs aan de hand met de kat. De kat, zij, le chat, hij. Avoir un chat dans la gorge is een kikker in de keel hebben. Slapende honden wakker maken vertaal je als éveiller le chat qui dort. En wie de pijp aan Maarten geeft, donne sa langue au chat.

Laten we het dan even over getallen hebben:
– drieëndertig = trente trois, toegegeven: dit is logischer.
– negenennegentig = quatre-vingt-dix-neuf. Dat is al een rekensom op zich. Tel daar vervolgens maar soixante-dix-sept bij op!

Zelfs het weer heeft zijn taalkundige grillen. Het is mooi weer, maar il fait beau. Wat niet wegneemt dat sommige Vlamingen maar al te graag het mooie weer maken. En dichte mist noemen we erwtensoep. Voor Franstaligen is dat purée de pois. Wie graag een appeltje voor de dorst heeft, moet in Wallonië garder une poire pour la soif. Voor één keer mag je appels met peren vergelijken. Maar niet met citroenen natuurlijk.

Er zijn ongetwijfeld nog veel meer merkwaardige taalverschillen. Omgekeerd nemen wij, Vlamingen (en Nederlanders), voor de verstaanbaarheid ook vaak, zeker als het over voeding gaat, Franse begrippen over.
We hebben het over:
– fraisen (of zegt u altijd aardbeien?)
– aubergines (of maakt u eierplanten klaar?)
– américain préparé (of bestelt u altijd klaargemaakte, gemalen biefstuk?)
– filet d’anvers (of lust u alleen gerookt vlees?)
– een glacé of éclair (of kent uw bakker ook de tompoes en de chocolade- of mokkabliksem?)

Mijn traiteur prijst zijn vol-au-vent aan, want Koninginnehapje staat zo kannibalistisch. En om even in het culinaire te blijven: in een restaurant krijg je wel eens een gepeperde rekening. Franstaligen vinden une note salée al erg genoeg.

Omgekeerd nemen Franstaligen sommige Vlaamse woorden over: een sterfputje blijft un sterfput. Un siphon de cour klinkt te hygiënisch.

Bovendien stel ik vast dat vele begrippen in het Nederlands of het Frans op zijn minst fonetisch dezelfde zijn: goal!, sandwich, velo, friet, mayuonaise, frisko, caramel, steak, chocolade, champagne, kaviaar, sex zonder e …
Kortom: alle goede dingen des levens hebben we gemeen. Zo erg verschillen we dus ook weer niet.